damster kraant
www.damsterkraant.nl
Blaupotfeest in het Gouden Pand. Deze foto, waarvan de opnamedatum onbekend is, dateert uit de jaren twintig van de vorige eeuw en is toen vermoedelijk gemaakt in opdracht van de Blaupotters. In die tijd werd het Blaupotfeest nog met veel vertoon gevierd, getuige de versiering van de straat met onder meer erebogen en vlaggetjes. De Blaupotvlag hing eens per jaar uit aan het huis van de gastheer en gastvrouw van dat jaar. Het was een wit dundoek met daarop een blauwe fruitschaal (pot) gevuld met aardbeien. Op een 'lint' onder de pot stond in mijn herinnering de tekst: Nos jungunt fragariae – de aardbeien verenigen ons, maar de vlag op deze historische foto is blijkbaar een eerdere versie waarop zo te zien het lint met die tekst nog niet voorkomt. De kijkrichting van de fotograaf was Vlintenbrug/Kniestraat. Links van het opvallende huis met de puntgevel waarin destijds een winkel werd gedreven door een weduwe Polman, begint de Solwerderstraat. Het tegenwoordige hoekpand op die plek – gebouwd nadat in 1937 het pand van Polman werd afgebroken – ziet er met zijn gebogen voorgevel heel anders uit.
Foto uit de collectie van Reina Kremer.
Door Egbert Zijlema, oud-Damster
appingedam — Halverwege de jaren zeventig van de vorige eeuw kwam na ruim 170 jaar een eind aan een bijzondere traditie in het Gouden Pand: het jaarlijkse Blaupotfeest met een testamentair voorgeschreven aardbeienmaaltijd als hoogtepunt. Met dat feest eerden de bewoners van het Gouden Pand de nagedachtenis aan de rentenier Jan Jansz Blaupot.
Van een van de laatste keren dat het feest is gehouden – in 1975 ten huize van de toenmalige kruidenier Antonie Bijmolt – verscheen destijds een verslagje in het Nieuwsblad voor de Eemsmond. De krant kopte dat het de 248ste keer was. De feestvierende Blaupotters haalden in hun begrijpelijke enthousiasme blijkbaar twee zaken doorelkaar: het bestaan van hun in 1727 opgerichte "buurtvereniging" en de traditie van het aardbeienmaal die niet eerder dan aan het begin van de negentiende eeuw kan zijn ontstaan.
Zoals rond die tijd in meer straten in Appingedam was in de jaren twintig van de achttiende eeuw in het Gouden Pand een Nabuirschap opgericht, een soort buurtvereniging waarvan de leden reglementair beloofden elkaar bij ziekte en dood terzijde te zullen staan; een contractuele vorm van burenplicht dus. Een van de naburen was Jan Jansz Blaupot (1723-1803). De blinde Jan Jansz was tegen het einde van zijn leven zo tevreden over de ontvangen burenhulp dat hij de buurtgenoten een legaat naliet van 300 gulden. Dat geld moest goed worden belegd en van de rente mochten de buurtgenoten, ter stimulering van het saamhorigheidsgevoel, jaarlijks een feestje bouwen waarvan een "eerdbessenmaaltijd" het hoogtepunt moest zijn.
Zo ontstond het Blaupotfonds en dat moet omstreeks 1800 zijn geweest, want op de jaarlijkse praatavond van 1801 (vermoedelijk een soort jaarvergadering) werd de toen tachtigjarige gever een weliswaar kreupel, maar daarom nog niet minder hartelijk gemeend dankrijm voorgelezen. Blaupot overleed twee jaar daarna. Het eerste aardbeienfeest van de rente van zijn legaat kan dus niet anders dan uit die periode dateren, wat in 1975 hooguit zo'n 170 tot 175 jaar geleden was. Evengoed een indrukwekkende tijdspanne; laat daar geen misverstand over bestaan.
Jan Blaupot was de zoon van Jan Sijmonsz Blaupot (1683-1758), een rijke koopman die woonde bij de Vlintenbrug, in het grote huis waaraan de straat zijn naam ontleent: het Gouden Pand. Jan Sijmonszoon was tevens "leraar" bij de Oude Vlamingen, een nogal rechtlijnige, vooral in de provincie Groningen actieve stroming onder de Doopsgezinden. Blaupot vervulde het ambt, dat om principiële redenen niet werd betaald, sinds 1707. Zijn naam staat als eerste onder het contract, wat hem in ieder geval tot medeoprichter van de nabuurschap bestempelt, maar zeer waarschijnlijk was hij – als "zieleherder" nu eenmaal begaan met de medemens – ook de initiatiefnemer.
Foto van de eerste bladzijden van het bijna drie eeuwen oude Blaupotboek. Welk deel van het Gouden Pand onder de jurisdictie van het burenhulp-contract viel, staat hier nauwkeurig beschreven: "Een Contrackt gemaakt van de Nabuirs in het Gouden Pant, van de Vlinten Brúgge tot an de huisen waarin tegenwoordig wonen, An de Oost-Sijde de E.E. Brouwer P. van der Tuik, en An de West-Sijde de E.E. Jannes Louwens: Belovende Malkander bij te Staan in Noot En Doot: op Condijtien Als volgt", waarna de opsomming van de artikelen begint. Wij weten nu natuurlijk niet meer waar destijds Brouwer van der Tuik en Jannes Louwens woonden, maar vertaald naar de huidige situatie behoorde het noordelijk deel van het Gouden Pand, van het huidige café Bruintje Beer (en het pand daar tegenover) tot aan de Koningstraat, niet tot het Blaupotgebied.
Je mag waarschijnlijk zonder te overdrijven vaststellen dat de vorming van het Blaupotfonds – en daarmee de instelling van de aardbeientraditie – er in hoge mate toe heeft bijgedragen dat de "Nabuirschap in het Gouden Pant" haar bestaan tot in de tweede helft van de vorige eeuw heeft weten te rekken en daarmee de 250 jaar zo goed als heeft volgemaakt. Andere organisaties op basis van burenplicht in Appingedam zijn allemaal een onopgemerkte dood gestorven. Er zijn, op een enkele uitzondering na, niet eens paperassen van bewaard gebleven.
Het oprichtingsjaar van de Nabuirschap in het Gouden Pand is vermoedelijk 1721 geweest, maar de Blaupotters zijn altijd uitgegaan van 1727, het jaar waarin het reglement voor het eerst officiële goedkeuring (approbatie) kreeg. Dat is te vinden in het dikke, in perkament gebonden notulenboek, waarin in de loop der jaren de namen van alle leden zijn bijgehouden. Jan, de latere schenker van het legaat dat het aardbeienfeest aanzwengelde, was een ventje van vier toen zijn vader als eerste een handtekening onder het contract zette.
Zo'n nabuurschap was in de achttiende eeuw beslist niet bedoeld als een gezellig theekransje. De Middeleeuwse gilden namen snel in betekenis af en daarmee dreigde de zekerheid dat beroepsgenoten elkaar in tijden van ziekte en bij overlijden steun en bijstand verleenden te verdwijnen. De behoefte aan dat soort onderlinge hulp verdween evenwel niet. Vandaar dat straatbewoners zich gingen organiseren in nabuurschappen die de sociale functie van de gilden overnamen.
En wat was handiger dan voor de organisatievorm terug te grijpen op het vertrouwde model dat men kende van de gilden. De basis was een streng reglement waarin men beloofde "malkander bij te staan in noot en doot" en dat precies voorschreef wat de taken van de buren waren bij bijvoorbeeld een sterfgeval. Het contract voorzag in boetes voor hen die hun burenplicht verzaakten. Vooral de taken rond de dood van een buurtgenoot waren tot in de kleinste details geregeld.
Aan een sterfgeval worden maar liefst zes van de acht artikelen besteed in het reglement dat "Nabuirs wetten in het Gouden Pant" heet. Zo zal iemand "gevordert worden om de kist voor het Lijk te halen" op straffe van een boete van 1 stuiver. Ook een breuke (boete) van 1 stuiver stond er op het verzuimen van het afleggen van de dode en wie zich niet op tijd bij de Thooren meldde om de klok te helpen luiden verbeurde twee stuivers. Artikel 1 was er direct al heel duidelijk over, je had er maar gewoon te zijn als je buurman ziek of dood was:
Indien het Godt de Heere, de Eenige En Souvereine Heer van Leven en Doot mogte behagen, jemant van ons, ofte de onse, ofte wie het ook mogte wezen in dese Nabuirschap Heel Ziek ter neder te leggen, ofte door de Doot uit dit Tranendal op te Eischen soo zullen de nabuirs gehouden wesen om bij de Zieke ofte Doode te verschijnen bij verbeurte van 2 Stuiver.
Ze probeerden het wel gezellig te houden, daar in het Gouden Pand. Daarvan getuigt artikel 5 dat regelt welke boetes er staan op Eenige questie tussen naburen, op burenruzie dus. Schelden kostte de buur die de meeste schuld had (dit te beoordelen door de andere buren) 6 stuiver.
Maar bij een echt handgemeen – "de Eene de andere Antastende, en sloeg" – verbeurde de dader een kwart kluin aan zijn buurtgenoten. Een kluin was een inhoudsmaat. Vermoedelijk wordt hier bier bedoeld. Dat was in die tijd de volksdrank, omdat water niet altijd te vertrouwen was.
Het doet wat vreemd aan dit artikel tussen de begrafenis-artikelen aan te treffen (in artikel 6 wordt de draad rond de sterfgevallen weer opgepakt). Verwachtte men burenruzies soms op het kerkhof? Daar werden blijkbaar wel de boetes geïncasseerd, want artikel 7 luidt:
Alle deze bovenstaande Breuken zullen gevordert worden, met toestemminge van de meeste nabuirs Wanneer die bij malkanderen zijn op de Dag van begraving.
Jan Jansz Blaupot was tegen het einde van zijn leven dus gewoon een van de buren die (indien nodig) kon rekenen op het in werking treden van de noaberplicht. Nadat hij blind was geworden spanden niet alleen de buren zich voor hem in, ook zijn trouwe huishoudster hielp mee bij de meer dan goede verzorging – ze lazen hem bijvoorbeeld de krant voor. Jan Blaupot was daar zo dankbaar voor dat hij het legaat van 300 gulden beschikbaar stelde. De rente van het te beleggen geld mochten de buren eens per jaar versnoepen aan een aardbeienmaal (beschuit of witbrood met aardbeien). Wel stelde hij als voorwaarde dat Grietje, zo heette de huishoudster, er elk jaar bij was. Jammer voor Grietje, ze heeft niet lang van deze eer en de aardbeien kunnen genieten. Slechts luttele jaren na de dood van haar broodheer stierf ze.
Op hun beurt waren de leden van de nabuurschap Jan Blaupot uiterst dankbaar. De rijmelaars onder hen schreven prompt een dankrijm van zes verzen. De toon is, naar onze maatstaven, nogal onderdanig:
Dit is een Danck Erkentenis
't Geen door ons beslooten is
Wat jan blaupot heeft gedaan
Hieronder zal geschreeven staan.
1
Wij Nabuurs, van het Gouden Pant
Zijn Dankbaar, met ons hart en hand
Voor drie hondert guldens Klaar
Zoo Edelmoedig, Ons te schenken
Wij zullen daar voor hem gedenken
Als Wij vergaard zijn Eens in 't Jaar.
2
Dien Dag zal Heeten Blauwpots Dag
Besloot Een toen hij Levend Was
Bedong Zelv, in zijn Testament
't Welk Wij hebben aangenomen
Om ons beloften na te koomen
Dat Grietje Weesen zou precend.
3
Wij zullen 't Geld incasseren
Twaalf Guldens intres naar begeren,
Dan Spreeken Wij van hem om 't Even,
Dat was een Goede Man voorwaar,
hij was zelv over de Tagtig Jaar,
Jan Blaupot heeft het ons gegeven.
4
Zijn Naam zal zijn, Erkend van ons,
Zoo lang zal duuren deze vonds
De naazaad vraagd wat man was hij
Wij zeggen U; het op dit Pas
Dat hij een Rentenier hier Was
Egter Blind en Grijs daar bij.
5
Hij leefde, in ons midden dan
als een goed, verstandig man,
Hij Kon Reken, Zeer Perfekt,
van Inkomst, Uitgaav altoos Klaar
een Steun, als, in ons Midden Waar
Ons Wens is, dat zijn Leven Rek.
6
Moet hij eens Uit ons midden gaan
de Weg van alle vlees, beslaan
Wees los van 't goed uit aardse Stand
Dan Wensen, Wij U Ziel moog leven
Ver Boven Lugt en Wolken Zweeven
Wij menen 't Hemels Vaderland.
Twaalf gulden rente per jaar bracht het vonds dus blijkbaar op. Aanvankelijk kon de jaarlijkse feestavond daar wel van worden bekostigd, zeker omdat aan dat geld ook de stuivers werden toegevoegd die toen nog als boetes op het verzaken van de burenplicht werden geheven. Maar in de vorige eeuw, toen de Blaupotclub nog louter een gezelligheidsvereniging was, was het prijsniveau ondertussen zodanig gestegen dat de rente (van het door degelijk beheer flink gegroeide kapitaaltje) niet meer toereikend was en de kosten van de feestavond hoofdelijk werden omgeslagen.
Zo'n feestavond begon om acht uur. Eerst werd onder het genot van koffie met koek voorgelezen uit het notulenboek. Later kwam een alcoholische versnapering op tafel, voor de mannen meestal jenever. Er werd gezellig wat gekletst en gezongen (waaronder speciaal voor de gelegenheid geschreven Blaupotliederen) tot de klok twaalf sloeg. Dan zei de voorzitter: "Dames en heren, 't is tijd". Op dat teken vertrokken de mannen voor een nachtelijke rondgang door de stad, een vast ritueel. De route was: Gouden Pand, Broerstraat, Netweg, Zwarteweggetje (de huidige Takenslaan), Stationsstraat en zo door de Solwerderstraat terug naar het huis van de gastvrouw. Daar hadden de dames intussen de tafel gedekt voor de gemeenschappelijke Blaupotsdisch, de aardbeienmaaltijd die het feest besloot. De nachtelijke wandeling ging in de jaren voor de Tweede Wereldoorlog nogal eens gepaard met het uitspoken van kattekwaad; kwajongensstreken die eigenlijk niet bij de leeftijd van de heren pasten. Het moet, naar verluidt, menig Damster die aan de route woonde de nachtrust hebben gekost.
In de jaren vijftig van de vorige eeuw was er blijkbaar volop animo voor Blaupotsdag. Op een foto bij een verslag uit 1952 staan maar liefst tien deelnemende echtparen afgebeeld, een te groot gezelschap blijkbaar om te worden ontvangen in de woonkamer van de gastheer en gastvrouw van dat jaar, het echtpaar Wilhelmus Antonius (Willem) en Margaretha Ava Beekman. Uitgeweken werd naar het toenmalige café Wijninga aan de Wijkstraat. Later diende ook café De Groene Weide wel als lokatie. Het feest is in de jaren vijftig ook een keer gehouden ten huize van het echtpaar Gerhard de Boer en Katharina Hinderika de Boer-van der Helm. Die hadden een fietsenzaak met op de bovenverdieping een showroom waar zeker wel honderd fietsen stonden, zo herinnert dochter Anneke Maas-de Boer zich. Die fietsen moesten stuk voor stuk en voorzichtig worden verplaatst naar het achterste gedeelte. Zo ontstond aan de straatkant ruimte om de 'feestzaal' in te richten, "een klus waar mijn moeder erg druk mee was", zo schrijft Anneke me.
Onder de deelnemers waren zeer trouwe bezoekers. Zo was de heer J. Houwing er in 1952 voor de veertigste keer bij, weet de nieuwe damster van 11 juli te melden. Ook Willem Beekman behoorde tot de trouwe leden. Hij was in 1952 secretaris van Blaupot, een functie die hij van 1935 tot 1958 heeft vervuld. Het vermelden waard vindt de krant ook nog dat "de fam. De Jong" als nieuwe leden worden geïnstalleerd. De naam is een beetje slordig gespeld, want bedoeld werden de kunstschilder Louis de Jonge en zijn vrouw Tilly de Jonge-Prenger, die destijds aan het Gouden Pand (foto) de kunstnijverheidswinkel 't Kunstambacht vestigden. Daar zouden de artistieke De Jonges tot 1982 onderdak vinden. Toen verhuisden ze naar De Smederij, een wijkje aan het Nieuwe Diep, op de plek waar vroeger de machinefabriek Borga stond.
Drieëntwintig jaar later, in 1975, was de animo voor het feestje een stuk minder. In de woonkamer van de gastheer en gastvrouw, het echtpaar Bijmolt, zaten slechts 10 mensen. Uitwijken naar een café was niet langer nodig. De krant, het nieuwsblad voor de eemsmond van 10 juli, bericht hoe dat kwam: drie van de betrokken huizen werden niet langer bewoond. Bovendien waren er twee gezinnen die "om uiteenlopende redenen" niet aan het Blaupotfeest wensten mee te doen. Ook in het Gouden Pand was de individualisering van de samenleving merkbaar dichterbij gekomen. De Blaupottraditie was onmiskenbaar een aflopende zaak. Het gematigd optimisme dat de toenmalige secretaris-penningmeester Tijte van der Leest nog naar de verslaggever probeerde uit te stralen, kon al niet meer overtuigen.
In 1988 werden de bezittingen van het Blaupotfonds overgedragen aan het Gewestelijk Historisch Museum, thans Museum Stad Appingedam. Zowel het onvervangbare notulenboek als twee antieke zilveren suikerstrooiers, die werden gebruikt bij het aardbeienmaal en die het fonds waren geschonken door een nabuir die zilversmid van beroep was, liggen daar tentoongesteld in een speciale vitrine. De laatste naam die in het boek werd bijgeschreven dateert van 1978. Blaupotsdag is nog slechts geschiedenis.
WOORD VAN DANK
Dank ben ik verschuldigd aan Klaas-Jan Westerhof, de collectiebeheerder van het Museum Stad Appingedam. In verband met het voorbereidende onderzoek ten behoeve van dit artikel ontving hij me enkele malen uiterst gastvrij. Bij een van die bezoeken stelde hij me tevens in de gelegenheid, de foto te maken van de eerste bladzijden uit het Blaupotboek.
BRONNEN:
• J. DIK: Uit de geschiedenis van Appingedam; herdruk 1976
• Krantenverslagen van het Blaupotfeest 1952-1975 in de nieuwe damster en nieuwsblad voor de eemsmond (met dank aan de Openbare Bibliotheek).