damster kraant
www.damsterkraant.nl
Oranjerode DAM-bus 154, rijdend op de Spinozalaan in Haren. Geloof het of niet, deze foto werd gemaakt op 5 mei 2005. De bus reed mee in een optocht ter gelegenheid van de viering van Bevrijdingsdag. De 154 werd in 1965 in gebruik genomen, waarschijnlijk eerst als toerbus, want bij de DAM was het de gewoonte dat een nieuwe bus de eerste twee jaar voornamelijk voor toerritten werd gebruikt en pas daarna op een lijndienst kwam. De 154 is nu een van de pronkstukken van het Nationaal Bus Museum in Hoogezand.
Copyright © 2005: Egbert Zijlema

Door Egbert Zijlema, oud-Damster
appingedam — Bijna een halve eeuw lang heeft Appingedam een eigen busonderneming gehad: de Damster Auto Maatschappij. De bussen van de DAM onderhielden in de (wijde) omstreken van Appingedam uiteenlopende verbindingen, waarvan de lijn Appingedam-Groningen v.v. zonder twijfel de belangrijkste en de bekendste was. In een tijd dat nog vrijwel niemand een eigen auto bezat en velen dus voor hun mobiliteit afhankelijk waren van het openbaar vervoer, vertrok van de Paardewasch bij de Oosterdraaibrug elk half uur een DAM-bus naar Groningen.
In mijn herinnering horen de DAM-bussen net zo onverbrekelijk bij Appingedam als de Damster toren. Maar amper twaalf jaar nadat ik mijn geboortestad had verlaten, werden de bussen met de karakteristiek oranjerode kleur en de groene bies voltooid verleden tijd: de buslijnen van de DAM werden in 1970 opgeslokt door de GADO en het rijdend materieel werd overgespoten in de kleuren van de nieuwe eigenaresse.
Zo scheurde een onvermijdelijke economische ontwikkeling, te weten: de noodzaak tot schaalvergroting, het straatbeeld van mijn jeugd genadeloos aan flarden. Dat de DAM-bussen verdwenen uit de regio die ze bijna vijftig jaar lang hadden bediend markeerde voor de velen, in wier sociale leven de dienstregeling van de DAM een niet weg te denken rol had gespeeld, het einde van een tijdperk.
Voor- en achterkant van een nostalgisch buskaartje, geknipt op 31 augustus als een "retour volwassene" op de hoofdlijn van de DAM, Appingedam-Groningen. Het jaartal wordt niet vermeld, maar uit het niveau van de ritprijs (één gulden zestig) valt af te leiden dat het kaartje met het serienummer G129633 uit 1964 is. Het werd gekocht bij de bushalte Tjamsweer. In het vakje met die plaatsnaam hadden, om het beginpunt van de retourreis aan te geven, twee knipjes moeten zitten, maar de tang kwam blijkbaar eenmaal per ongeluk in Farmsum uit. Fatsoen werd destijds klaarblijkelijk afgedwongen. Dat jongeren verplicht waren te gaan staan voor ouderen als de bus vol was, stond gewoon zwart-op-wit in de voorwaarden.
De DAM werd opgericht in 1921, aanvankelijk als een normaal garagebedrijf, al leek de rechtsvorm - de naamloze vennootschap - misschien wat overdreven voor een "autodealer". De eerste directeur was Piet Smith Tzn, die blijkbaar al snel inzag dat het verkopen en onderhouden van personenauto's een onvoldoende basis was voor het voortbestaan van het bedrijf. Hij begon nog hetzelfde jaar met een busverbinding tussen Appingedam en Hoogezand. Na enige tijd besloot Smith tevens een verbinding met Groningen te proberen, aanvankelijk alleen op dinsdag (marktdag). Dat bleek een schot in de roos, zodat er al snel een dagelijkse verbinding kwam.
De lijn, een van de eerste reguliere busverbindingen van ons land, ontstond zwaar tegen de zin van de Nederlandse Spoorwegen, die er een concurrent in zagen van de spoorlijn Groningen-Delfzijl. Iedere keer als de concessie (vergunning) voor de busmaatschappij moest worden verlengd, probeerde het spoorbedrijf de DAM de voet dwars te zetten. Zonder succes overigens, maar het kostte iedere keer wel veel energie. Smith en "zijn" DAM wisten zich in die eeuwige strijd tegen NS krachtig gesteund door de president-commissaris, mr. Arend Tonko Vos, een ambitieuze advocaat die in de eerste helft van de vorige eeuw op meer fronten ijverde voor de vooruitgang van Appingedam. Vos was bijvoorbeeld in 1907 mede-oprichter geweest van de succesvolle Appingedammer Brons-motorenfabriek, waarvan hij eveneens president-commissaris was. Ook was Vos een van de ijveraars voor de oprichting van de rijks-hbs in Appingedam en voor de Openbare Leeszaal en Bibliotheek.
De eerste jaren van de omstreden DAM-lijn konden met recht en reden "wild" worden genoemd. Niet alleen NS betwistte het bestaansrecht van de succesvolle verbinding, ook het taxibedrijf van de gebroeders Van der Laan uit Delfzijl probeerde de busonderneming beentje te lichten. Goedkope taxi's reden voor de bussen uit en pikten de reizigers aan de haltes op. Het heeft enkele rechtszaken gekost om ze van de weg te krijgen. Deze zaak was van landelijk belang, want alle busondernemers in Nederland vreesden dat hun vervoer door wilde taxi's zou worden afgeroomd. In de crisisjaren had dat het verdwijnen van veel busverbindingen kunnen betekenen.
Maar niet alleen taxibedrijven beconcurreerden de DAM. Het busbedrijf kreeg ook concurrentie van binnenuit. Onder het kennelijke motto "Wat de baas kan, kunnen wij ook" namen sommige chauffeurs ontslag om een eigen bedrijfje te beginnen. Onder hen de heren J. Harmanni en een zekere Dijkman. Zij richtten de EAAG op, de Eerste Appingedammer Auto-Garage. Het was een nogal ambitieuze naam, die de heren ontleenden aan het simpele feit dat hun vertrekplaats ouder was dan die van de DAM. Hun 'thuishaven' was de doorrit van het toenmalige Stationskoffiehuis van Moorlag, aan het begin van de Harmoniestraat. Een andere ex-Damchauffeur die voor zichzelf begon, was ene Lubbers, die de busdienst Expresse uit de grond stampte.
In 1929 kwam er een eind aan deze situatie. Om wildgroei te voorkomen werden busdiensten aan een vergunningenstelsel onderworpen. De DAM verwierf daarbij de concessie voor de lijn Appingedam/Delfzijl-Groningen, zodat de EAAG en Expresse moesten worden opgedoekt. Harmanni liet zich daardoor niet uit het veld slaan. Hij begon in 1930 een touringcarbedrijf in Assen. Toen in die stad in 1949 een stadsdienst werd ingesteld kreeg Harmanni de gemeentelijke vergunning. Het bedrijf heeft die lijn tot in de jaren tachtig van de vorige eeuw geëxploiteerd. Ook reed Harmanni in de jaren vijftig een dienst tussen het toenmalige kamp Schattenberg (opvangcentrum voor Molukkers) en Assen.
De DAM-lijn Appingedam/Delfzijl-Groningen v.v. voorzag in een grote behoefte en groeide uit tot de halfuursdienst, die in 1948 gestalte kreeg. Het jaarlijkse aantal passagiers overtrof ruimschoots het aantal reizigers dat de voorkeur gaf aan het boemeltreintje van de spoorwegen. Het reizigersaanbod was vaak zo groot dat het systeem van volgbussen moest worden ingevoerd. Die pikten de passagiers op die in de voorop rijdende bus geen plaats hadden gevonden. De chauffeur van de eerste bus maakte de bij de halteplaatsen wachtende passagiers met een handgebaar duidelijk dat er nog een bus in aantocht was.
De DAM verzorgde meer busverbindingen in de regio, maar de dienst op Groningen was duidelijk de winstgevende hoofdlijn, met de opbrengst waarvan de verlieslatende lijnen naar Spijk, Woldendorp, Roodeschool, Thesinge en Overschild in stand konden worden gehouden. Alleen de lijn naar Hoogezand speelde ongeveer quitte. De bus "noar Stad" maakte een lus via Delfzijl en Farmsum. Het officiële eindpunt was aanvankelijk de Grote Markt, daarna (vanaf 1930) het Zuiderdiep en uiteindelijk (sinds 1949) het bekende, thans verdwenen busstation aan het Damsterdiep dat de DAM deelde met de busmaatschappij Roland. Soms reden de DAM-bussen door naar het hoofdstation van de NS, wat gegeven de "vijandschap" tussen de ondernemingen een pikant gegeven mocht heten.
Spitsmoment op de Paardewasch, waar enkele malen per dag de bussen van alle DAM-lijnen samenkwamen. Het "Damplein" stond dan vol met bussen. Zo'n moment, om
half 10 's morgens in de zomer van 1969, is vastgelegd door Gerard Scheltens. Het plein was te klein om er een normaal busstation met perrons van te maken. Gelukkig was er altijd de terreinchef die de reizigers de juiste bus aanwees: "dij doar!"
Copyright © 1969: Gerard Scheltens
Het beginpunt van alle DAM-lijnen lag op het plein tegenover het markante, in de jaren dertig van de vorige eeuw door architect Rozema ontworpen DAM-gebouw: de Paardewasch, thans in gebruik als parkeerterrein. Het was geen normaal busstation met perrons of trottoirs voor de diverse lijnen. Daar was het aan het Nieuwe Diep grenzende, min of meer halfronde pleintje te klein voor.
Op drukke momenten oogde de Paardewasch dan ook knap chaotisch, maar gelukkig was er altijd de terreinchef, die de verwarde reiziger feilloos de bus aanwees die hij of zij moest hebben. Zowel op de Paardewasch (in de volksmond ook wel aangeduid als het DAM-plein) als op het busstation aan het Groninger Damsterdiep liep zo'n terreinchef. De service-bewuste DAM had vier van die voor de reiziger zo belangrijke mensen in dienst. De DAM beleefde in 1963 het onbetwiste topjaar. Daarna daalde het vervoersaanbod gestaag onder invloed van het toenemend eigen-autobezit. Veel busondernemingen raakten in de gevarenzone. Zo ook de DAM, waarvoor in 1970 het onvermijdelijke einde kwam met de overname door erfvijand GADO. Cynischer kon bijna niet want de GADO was een dochteronderneming van uitgerekend de zelfde Nederlandse Spoorwegen die het eigengereide Damster busbedrijf het licht in de ogen eigenlijk nooit hadden gegund.
Was de voor het publiek meest zichtbare activiteit van de DAM het onderhouden van busdiensten in de wijde omgeving van de Fivelstad, het was niet de enige. De DAM was tevens autodealer. De merken, die het autobedrijf voerde, waren een afspiegeling van de aankopen bij de autobusafdeling: eerst Ford, later Dodge en in de jaren vijftig en zestig Simca personenauto's en DAF-bedrijfswagens. Daarnaast exploiteerde het bedrijf een trailer-fabriek, die in 1930 een speerpunt van vernieuwing mocht heten, maar in de jaren zeventig hopeloos verouderd was. Met beide activiteiten werd, na het afstoten in 1970 van het busbedrijf, nog tot het faillissement in 1981 doorgegaan. Van 1975 tot dat faillissement had het bedrijf het dealerschap van VW, zowel van personenauto's als bedrijfswagens.
Ten slotte: schrijvend over de DAM is het bijna vanzelfsprekend om in één adem de beide carrosseriefabrieken te noemen die Appingedam ooit rijk was: Harm Smit en Piet Medema Wzn. aan de Dijkhuizenweg. Op een enkele uitzondering na, werden alle DAM-bussen traditiegetrouw bij een van deze plaatselijke bedrijven opgebouwd en dat was een unieke situatie.
DANK:
Dank ben ik schuldig aan Gerard Scheltens, die de overzichtsfoto van het "DAM-plein" ter beschikking stelde en mij tevens onmisbare informatie over de geschiedenis van de DAM toezond.
BRONNEN:
• Vos, A.T.: Een kwart eeuw DAM-bedrijf 1920-1945. Een herinneringsbeeld. Uitg. DAM, Appingedam, 1945.
• Giezen, J.: Damster Auto-Maatschappij (DAM). 50 jaar personenvervoer door de naamloze vennootschap Damster Auto-Maatschappij in het noordoosten van de provincie Groningen. Uitg. Profiel, Bedum / Noordelijk Bus Museum, Winschoten, 1989.