damster kraant
www.damsterkraant.nl

Constantijn Huygens anno 1957, twee jaar na de opnamen voor de Damster Adolfs-film, opgesteld voor de aula van de Rijksuniversiteit Groningen.
Foto uit het archief van Constantijn Huygens
Appingedam in 1955 één dag filmstad, maar...
Hebben de Damster "filmsterren"
hun plaatselijke film ooit gezien?
Door Egbert Zijlema, oud-Damster
Zeker in de jaren vijftig van de vorige eeuw had de film iets magisch. Wie droomde er niet van filmster te worden? De inwoners van Appingedam verstoppen zich dan ook niet als op een warme augustusdag een "opnamewagen" door hun stad rijdt. Spontaan lopen ze de cameraman tegemoet. Je ziet de vrouwen snel hun huishoudschortje afleggen, want de dames willen er vanzelfsprekend mooi op staan als de film later in Kabzeël of Rehoboth wordt vertoond en buren, vrienden en kennissen hen terug zullen zien op het witte doek. Appingedam is in de zomer van 1955 één lange dag een vrolijke filmstad.
appingedam — Te oordelen naar de soms overbelichte beelden moet donderdag 11 augustus 1955 een zonovergoten zomerdag zijn geweest. Een ideale dag om opnamen te maken voor het project dat in de jaren 50 en 60 bekendheid genoot als "landelijke filmactie". Het was lang licht, de camera kon tot in de avonduren blijven snorren om het hele scenario in de tijd van één lange werkdag op het celluloid vast te leggen. Het resultaat is een film waarvan er, zo kun je achteraf vaststellen, dertien in een dozijn gaan; gemaakt volgens een vast "draaiboek" en zonder enige filmische pretentie. Het ging er eigenlijk alleen maar om zoveel mogelijk inwoners voor de camera te krijgen, teneinde te kunnen rekenen op zoveel mogelijk betalende bezoekers bij de vertoning, later. Maar het is de vraag of er wel een vertoning is geweest. Appingedam heeft z'n eigen "plaatselijke film" hoogstwaarschijnlijk niet teruggezien.
De landelijke filmactie was een idee van de Enschedese zakenman Johannes Willem Lambertus Adolfs (1917-1977), wiens bedrijf Klank-Film Enschede in de periode 1948-1970 maar liefst 1500 films maakte in Nederlandse dorpen en (kleinere) steden. Meer dan honderd daarvan werden opgenomen in de provincie Groningen. Adolfs werkte onder auspiciën van de Nederlandse Federatie van Harmonie- en Fanfaregezelschappen die in 1950 een persbericht publiceerde onder de kop "Heel Nederland op de film". Daarin viel onder meer te lezen dat "(...) iedere inwoner van Nederland die in een plaats beneden 20.000 inwoners woont, zichzelf eens als filmster op het witte doek zal kunnen gaan zien".
De praktijk, die op lokaal niveau uit deze vorm van samenwerking met de muziekfederatie voortvloeide, was van een verbluffende eenvoud. Adolfs maakte van tevoren een afspraak met een plaatselijk muziekkorps, dat de taak op zich nam de opnamedag te organiseren en dat tevens tot opdrachtgever werd gebombardeerd. In het winterseizoen, dat volgde op de zomer van de opnamen, werd de film – aldus de afspraak – in een plaatselijke lokaliteit vertoond. De netto opbrengst van de voorstelling(en) werd verdeeld tussen de clubkas van het muziekkorps en Adolfs' bedrijf.
Geld voor nieuwe instrumenten, dat was – zeker in de jaren zo kort na de Tweede Wereldoorlog – een aanlokkelijk vooruitzicht voor veel muziekkorpsen, die immers tijdens de bezettingsjaren niet zelden van hun koperinstrumenten waren beroofd door de oorlogsindustrie van nazi-Duitsland. Voor de bestuurders van de korpsen speelde bovendien de propagandistische waarde van de film een rol: ze zagen de filmvertoning doorgaans als een prachtige ondersteuning van hun ledenwerfacties en lieten maar al te graag een film maken met het eigen korps in de hoofdrol. De filmactie was een doorslaand succes.
De "plaatselijke film" is een succesnummer voor het bedrijf van Johan Adolfs. Al snel kan OPNAME-WAGEN 2 worden aangeschaft en die ziet er stukken professioneler uit dan het busje dat in 1955 in Appingedam rondreed. De tekst op de zijwanden verklapt dat intussen ook het zangersblad Euphonia de LANDELIJKE FILMACTIE steunt.
Foto uit de collectie-Adolfs
Niet DSHO
Toen Appingedam in 1955 aan de beurt kwam, zat Adolfs' bedrijf intussen in het zesde jaar van de landelijke filmactie. En toch werd de filmerij in de Fivelstad geen routineklus. Het begon al met de keuze van het plaatselijke muziekkorps. Klank-Film Enschede ging in zee met
Constantijn Huygens, de christelijke fanfare, die dus niet was aangesloten bij de Nederlandse Federatie van Harmonie- en Fanfaregezelschappen waarmee Adolfs vijf jaar eerder de afspraken voor de filmactie had gemaakt. De sterke verzuiling van die jaren ten spijt leverde dat in Appingedam blijkbaar geen weerstanden op. Johan Adolfs had het in Loon op Zand wel anders meegemaakt. Daar had de
Rooms-Katholieke Federatie van Diocesane Muziekbonden in Nederland het de lokale harmonie domweg verboden om aan de filmactie van de neutrale muziekkoepel mee te werken.
Waarom Constantijn Huygens de eer te beurt is gevallen en niet het
Damster Stedelijk Harmonie Orkest, wat toch meer voor de hand had gelegen, is niet duidelijk. Mogelijk had dat korps er in 1955 de juiste bezetting niet voor. Of de tijd niet, want er ging nogal wat werk zitten in het organiseren van de opnamedag. Maar
DSHO wist wel van de filmactie af en werd er zelfs nauw bij betrokken, want het leende voor de gelegenheid, uiterst collegiaal en vriendschappelijk, twee muzikanten uit aan Constantijn Huygens, dat in zijn bezetting blijkbaar net een paar mannetjes te kort kwam.
Willem Kregel en
Ben van der Laan vulden die lege plekken op tijdens de optocht waarmee een Adolfs-film steevast werd afgesloten.
Zo'n Adolfs-film moest op één dag worden opgenomen. Reden waarom met het muziekkorps over zelfs de geringste details afspraken werden gemaakt, bijvoorbeeld over de middagmaaltijd voor cameraman en chauffeur. Die moesten er op kunnen rekenen dat ze probleemloos ergens konden aanschuiven, opdat zo weinig mogelijk tijd verloren ging. "De film moest inderdaad op één dag worden opgenomen, anders werden de productiekosten te hoog", weet Robert Adolfs, Johans zoon. De mannen aten die dag bij het echtpaar Wubbo en Hilly Boiten aan de Scharreweersterweg, vertelt zoon Geert, die behalve muzikant ook archivaris is bij Constantijn Huygens. "Mijn vader was indertijd secretaris en dus mede-organisator."
Dat de Damster Adolfs-film is gemaakt met Constantijn Huygens in de hoofdrol kun je goed zien. Er komt, om het nu maar populair te zeggen, veel "christelijk volk" in voor. In willekeurige straatscènes zie je uiteraard Damsters van allerlei pluimage, maar in de door Constantijn Huygens georganiseerde en geregisseerde filmonderdelen toch vooral mensen uit, zeg maar, de directe omgeving van het muziekkorps; herkenbare vrienden en bekenden van de muzikanten, maar ook veel gelijkgestemde organisaties.
In deze context mag zeker de beginscène niet onvermeld blijven. Niet burgemeester
C.C.J. ("Jopie") Welleman opent de film, maar de aimabele, een sigaar rokende dominee
Albert Nicolaas Tonsbeek, die vergezeld van zijn vrouw een "ochtendwandeling" maakt. Ze starten voor de gelegenheid bij de secretarie, het toenmalige gemeentehuis, en lopen – verbaasd nagestaard door een nieuwsgierige kappersvrouw in de Kniestraat – in de richting van de Vlintenbrug.

Begin van de standaardbrief, die Adolfs' weduwe in de jaren 80 verstuurde om de "plaatselijke film" alsnog te slijten aan de verenigingen die aan de totstandkoming hadden meegewerkt. Op de eerste regel werden jaartal, plaatsnaam en vertoningsduur met de pen ingevuld. Let ook op de rood gemarkeerde zin. In Appingedam werd nu juist niet begonnen met het filmen van de burgemeester, maar met de "ochtendwandeling" van dominee Tonsbeek.
Als de dominee van de
Nicolaïkerk al een fervent ochtendwandelaar mocht zijn geweest, dan week hij terwille van de tijdsbesparing graag af van een start bij het voor hem meest logische beginpunt, de pastorietuin. Zo kon de cameraman onmiddellijk na het vastleggen van dominees geacteerde ochtendritueel de kamer van de burgemeester binnensprinten. Het moest er immers allemaal in één dag op. Er zitten meer van die typische scènes in de film die kunnen worden toegeschreven aan het feit dat Constantijn Huygens de regie van de opnamedag in handen had.
Een Adolfs-film was altijd rijkelijk gevuld met spelende schoolkinderen. Erg slim bedacht, want dat trok later mogelijk veel betalende ouders naar de voorstelling. In Appingedam werd die enorme kinderschare gefilmd op vijf schoolpleinen en vier daarvan lagen bij christelijke scholen: de gereformeerde
School met den Bijbel in de Dijkstraat-Oost, kleuterschool
Altijd Zon in de Wijkstraat (al is het wel een beetje verwarrend dat hier de
Anton Pieck-achtige voorgevel van de openbare bewaarschool als "inleiding" werd gefilmd) en de twee toen net nieuwe scholen voor christelijk volksonderwijs –
CVO-scholen – aan de Dijkhuizenweg en de Burgemeester Klauckelaan. Van de openbare gemeentescholen werden alleen de kinderen van de
Stationsstraatschool gefilmd.
Bonte optocht
Of neem de middenstand. Die kon voor twintig gulden advertentieruimte kopen in de vorm van scènes die werden opgenomen in de winkel en waarbij altijd de naam (op etalageruit of uithangbord) pontificaal in beeld kwam. Op een paar uitzonderingen na zie je in de reclameboodschappen toch vooral winkeliers uit de christelijke hoek.
En dan het grote defilé ofwel de bonte optocht waarmee een Adolfs-film traditioneel werd besloten. Die stoet werd in de vroege avonduren gefilmd op de Stationsweg. Constantijn Huygens, onder leiding van dirigent Ale van Kammen speelt er niet alleen de hoofdrol in – het korps blaast als het ware het verhaaltje uit – maar heeft ook hier weer zichtbaar de regie in handen gehad. Het christelijk clubleven domineert: de christelijke gymnastiekclub ACGV, het kerkkoor Psalm 104:33a, de Christelijke Jonge Vrouwen Federatie en het Gereformeerd Evangelisatie Zangkoor. O ja, de neutrale Sport Vereniging Appingedam mocht ook meelopen.
Voor "de dorpsfilmer", zoals Johan Adolfs later wel werd genoemd, was de filmactie een broodwinning. Het was dus zaak dat de "plaatselijke film", eenmaal vervaardigd, werd vertoond voor zoveel mogelijk betalende bezoekers, want daar moest het geld vandaan komen. Maar is dat wel gebeurd met de in Appingedam geschoten film?
De toenmalige secretaris van Constantijn Huygens, Wubbo Boiten, weet welhaast zeker van niet. "Die film is nooit in Appingedam geweest", beaamt zoon Geert. Voor het standpunt van de Boitens valt veel te zeggen. Indien de vertoning in het winterseizoen 1955-1956 was doorgegaan dan had die ongetwijfeld geld opgeleverd voor de clubkas en daarvan zou toch ergens in de verslagen uit die tijd een verantwoording te vinden moeten zijn, maar die ontbreekt; in elk geval in de bewaard gebleven stukken.
Twee vertoningsdagen
Voor de opnamedag in Appingedam is behoorlijk op de tam-tam geslagen. Zo werd bijvoorbeeld een speciale promotiekrant verspreid in een oplage van 2010 stuks. Dat blijkt uit de "opname -en projectieboeken", die Adolfs nauwgezet bijhield. In die boekhouding valt niet alleen de datum van de opnamen (donderdag 11 augustus 1955) te lezen. Ook de beoogde vertoningsdatum staat er in: dinsdag 21 februari 1956. Na enig geschuif overigens. Eerst waren zelfs twee dagen voor Appingedam uitgetrokken, 24 en 25 februari (vrijdag en zaterdag). Adolfs verwachtte klaarblijkelijk dat hij in een plaats waar maar liefst 2010 promotiekrantjes waren verspreid wel meer dan één volle zaal kon trekken.
Uit Adolfs' boekhouding is niet met honderd procent zekerheid op te maken of de vertoning is doorgegaan. Er wordt niets over het afblazen ervan vermeld, wat hij meestal toch wel noteerde. Als de film niet is vertoond, zoals oud-secretaris Boiten beweert, dan moet dat wel een erg plotselinge en onverwachte oorzaak hebben gehad. Anders is het een dom bedrijfsfoutje geweest. Want, zo zegt Robert Adolfs: "Eenmaal vervaardigde films werden eigenlijk altijd vertoond, om de eenvoudige reden dat het voor Klank-Film Enschede de manier was om inkomsten te genereren en de kosten terug te verdienen." Met andere woorden, het niet doorgaan van de vertoning betekende inkomstenderving. Maar niet alleen voor Adolfs, ook voor de muziekvereniging. Die zou als opdrachtgever dan toch aan de bel hebben moeten trekken? Jammer genoeg is nergens terug te vinden of dat is gebeurd.
Ook heeft het toenmalige bestuur van het muziekkorps blijkbaar geen exemplaar van het promotiekrantje in het archief bewaard. Er is althans geen vergeeld exemplaar teruggevonden. Al kan het bijna niet anders of van zo'n forse oplage moeten nog ergens nummers liggen te verstoffen in (zeg maar) niet-geordende "privé-archieven" zoals schoenendozen en plastic zakken. Het kan toch niet zo zijn dat al die 2010 exemplaren bij het oud papier terecht zijn gekomen? Hoe dat krantje er uitzag weten we dus niet. Wel is van latere opnamedagen en vertoningen drukwerk bewaard gebleven, zoals bijvoorbeeld in het Limburgse dorp Velden (bij Venlo), waar in 1961 werd gefilmd. Adolfs liet die kranten zelf drukken, waarna ze lokaal werden verspreid als een uitgave van het muziekkorps waarmee hij in zee was gegaan.
St. Cecilia in Oerle
Een muziekkorps dat nog wel kan terugvinden wat de Adolfs-film voor de clubkas heeft betekend, is de harmonie St. Cecilia in Oerle. Het bestuur van dat in de jaren vijftig nogal noodlijdende korps (destijds een fanfare) besloot in 1959 om mee te doen aan Adolfs' Landelijke Filmactie. In 1960 werden de opnamen gemaakt, om precies te zijn op 10 september van dat jaar, een zonnige zaterdag. "Op dinsdag 17 januari 1961 werd in de ontspanningszaal van het meisjespensionaat van de eerwaarde zusters alhier de in 1960 opgenomen film vertoond", zo schrijft toenmalig secretaris Theo van de Ven in het verslag van dat jaar. En hij voegt er aan toe: "Zonder overdrijving mag worden gezegd dat deelnemen aan deze filmcampagne een goede gedachte is geweest. De zaal was 4 maal uitverkocht." Uit het financiële verslag van het zelfde jaar blijkt dat St. Cecilia per saldo ruim 109 gulden aan het filmavontuur heeft overgehouden, wat op een totaal van 2000 gulden aan inkomsten toch "een aardige bijdrage" was.
Al of niet vertoond, de Damster film uit 1955 is nu — meer dan een halve eeuw later — deel van het unieke historische document dat de collectie Adolfs-films als totaliteit, voorzover nog aanwezig, de facto is. Adolfs, zelf geen filmer, had geen enkele cinematografische pretentie. "Ik maak geen kunst-films", zei hij altijd. Maar onbedoeld legden zijn cameramensen wel de snel veranderende tijd vast, zo constateerde filmer/antropoloog drs. Eddy Appels in 2003. In opdracht van het Nationaal Overleg Regionale Audiovisuele Archieven (NORAA), verrichtte Appels een uitvoerig onderzoek naar het fenomeen Adolfs-film. Zijn bevindingen zijn te lezen in het informatieve, 21 pagina's tellende artikel: "Heel Nederland op de film." Appels, tegenwoordig directeur van de Stichting Audiovisuele Antropologie Nederland (SAVAN), concludeert: "Het is van belang om dit materiaal goed te inventariseren, de originele films digitaal te conserveren en vertonings- en raadpleegkopieën te maken." Een conclusie die ik van harte onderschrijf.
MET DANK AAN:
• Robert Adolfs, voor de bij dit artikel geplaatste foto van "OPNAME-WAGEN 2".
• Drs. Eddy Appels, die door het lezen van de eerste versie van mijn artikel opnieuw nieuwsgierig werd en in de Adolfs-boekhouding op zoek ging naar de gegevens over Appingedam. Hij vond en stuurde mij de opnamedatum (11 augustus 1955), de beoogde vertoningsdatum (21 februari 1956) en het verrassende oplagecijfer van het promotiekrantje voor de opnamedag: 2010 exemplaren.
• Wubbo en Geert Boiten. Eerstgenoemde was destijds secretaris van Constantijn Huygens en dus mede-organisator van de filmdag. Zonder dat ik er om vroeg keken vader en zoon samen nog een keer heel zorgvuldig naar de film en noteerden, op de seconde nauwkeurig, de begintijd van de belangrijke scènes met daarbij de namen van vrijwel alle gefilmde volwassen Damsters, evenals de namen van de verenigingen in de optocht. Hun overzicht is voor mij een onmisbare "handleiding" geweest.
• Gert Plas, medewerker van het Gronings Audio-Visueel Archief. Van hem kreeg ik bijgaand overzicht, waaruit blijkt dat in de provincie Groningen ruim 100 Adolfs-films werden geschoten.
• Jan van Aaken, die mij de tekst stuurde van een terugblik op de in 1960 gemaakte Adolfs-film in opdracht van de toenmalige fanfare St. Cecilia in Oerle, gemeente Veldhoven.
GERAADPLEEGDE BRONNEN:
• Heel Nederland op de film, het artikel van drs. Eddy Appels
• Promotiekrantjes Velden 1961
• Fries Filmarchief
GERELATEERDE WEBSITES:
• Gronings Audio-Visueel Archief (GAVA)
• Stichting Audiovisuele Antropologie Nederland (SAVAN)
• Constantijn Huygens
• Harmonie St. Cecilia