damster kraant
www.damsterkraant.nl
Titelpagina gedicht Reijnders Dat de vorige Damster toren in 1835 wel móest worden afgebroken, blijkt duidelijk uit de tekening, die bij het gedicht van Synco Reijnders staat afgedrukt. Een brede scheur in de noordmuur, van de trans tot aan de begane grond, illustreert de bouwvallige staat van de ietwat scheefgezakte toren overduidelijk. Rechts: de eerste pagina van het gedicht zoals dat twee jaar nadat het was gemaakt stond afgedrukt in de Groninger Volks-Almanak 1837. De burgemeester noemt de toren afwisselend eerwaardig en wijsgeerig.

Denkbeeldig gesprek met "eerwaardige brommer"

Burgemeester Synco Reijnders nam
dichtend afscheid van Damster toren

Door Egbert Zijlema, oud-Damster
Mr. Synco Reijnders (1793-1873) was tien jaar burgemeester van Appingedam, van 1833 tot 1843. Hij was er dus bij toen in 1835 de toenmalige, bouwvallige Damster toren werd gesloopt. Kort voordat de sloopwerkzaamheden begonnen beklom de burgervader, zoals hij zelf schreef, "moe van smarte" de trappen om een denkbeeldig gesprek te voeren met de "wijsgeerige toren". Hij deed dat op rijm. Het is een kloek dichtwerk geworden dat nog de aandacht wist te trekken van het literaire blad De Gids.
appingedam — Wat burgemeester Reijnders in eerste instantie met zijn gedicht over de slooprijpe toren heeft gedaan en wie hij als lezers voor ogen had, is wat vaag, maar het is alleszins aannemelijk dat hij het tijdens een raadsvergadering heeft voorgelezen. Twee jaar na datum, de wrakke toren zal dan intussen gesloopt zijn, verschijnt Reijnders' gedicht in druk, te weten in de dan eerste jaargang van de Groninger Volks-Almanak 1837, onder de titel "Mijn afscheids-bezoek aan den ouden toren van Appingedam".
In 1837 verschijnt de Groninger Volks-Almanak voor het eerst en dat trekt de aandacht van een boekrecensent bij het letterkundige tijdschrift De Gids. Deze eersteling, zo schrijft de anonieme recensent, behoeft zich niet te schamen. Er staan, naast de gebruikelijke zaken als een kalender, "dichtstukjes van verschillende inhoud en behandeling" in. Sommige zijn niet onverdienstelijk, andere middelmatig, niet één verwerpelijk, zo wordt geconcludeerd. Over het gedicht van de Damster burgervader schrijft de Gids-redacteur: "Dat van den Heer Mr. S. Reijnders, mijn afscheids-bezoek aan den ouden toren van Appingedam, lazen wij met genoegen."

Dat is, terugkijkend, niet helemaal verrassend. Reijnders dichtte wel meer, heel vaak ook in het Gronings. Zo staat er in dezelfde editie van de almanak "een geestig gedichtje" (ik volg nog even de Gids-recensent) in het Groninger dialect: "Houw dat jan an zien saar komen is". Reijnders gold in de negentiende eeuw als de voorman van de Groninger beschaving.
Tekst Synco Reijnders
De tekst van het gedicht van Synco Reijnders laat ik hier integraal volgen in een modern lettertype en ontdaan van het nogal overdadige gebruik van aanhalingstekens in het origineel. Voor degenen die willen weten hoe het gedicht er in zijn gedrukte vorm uitziet staat onder aan deze pagina een koppeling ('link') naar afbeeldingen van de desbetreffende pagina's uit de almanak.
MIJN AFSCHEIDS-BEZOEK aan den OUDEN TOREN VAN APPINGEDAM
Door Mr. Synco Reijnders, burgemeester van Appingedam 1833-1843

Portret Synco Reijnders. Bron: Groninger Volksalmanak 1906
Op menig rijk, maar gierig huis;
Den rijken zich weer driftig maken,
Om 't lui en kwistig arm gespuis;
Den ingezeten hoorde ik schelden,
De heerschzucht zijner overheên,
Die beurtlings van de burgers melden,
Dat ze allen orde en wet vertreên;
Maar 'k zag en 't deed mij zeer aan 't harte,
En gaf mij stof tot droefenis,
Hoe de eene mensch een bron van smarte,
En weedom voor den ander is;
Dat man en vrouw, dat oudren, kindren,
Dat rijken, armen, burger, heer,
Staag de een den ander plagen, hindren,
En kwaad en leed doen keer om keer;
En 'k leerde nu, schoon 't over 's levens,
Ellenden veel te klagen geeft,
Dat elk gelijk en schuld heeft tevens,
Dat ieder regt en onregt heeft!

Ik hoorde meisjes, jongelingen,
In 't zoet en onvergeetlijk uur,
Elkaâr van heilge liefde zingen,
En vriendschap zweren, o zoo duur!
Ik dacht dan wel: Die lieve kinder!
Maar ach, in latren tijd, Mijnheer!
Werd liefde en vriendschap daaglijks minder,
'k Zag zelden een van beiden meer;
Een handdruk soms, een vriendlijk knikje!
Maar vroeg men om een liefde-pligt,
Dan was het: Wacht een oogenblikje!
Maar 'k zag en beurs en handen digt. –
Zoo leerde ik dan weer menschen-waarde!
Hoe zoet men kweel', hoe zacht men fluit',
Ten slotte draait het hier op aarde
Op eigenbaat weer immer uit. –

Ik hoorde vromen vroomheid melden,
Van Godsvrucht kweezlen uur op uur;
Ik hoorde dappre Themis-helden
Het regt bepleiten vol van vuur;
Ik hoorde fiere Mavors-zonen,
Met baard en knevels zwart als roet,
Vaak zwetsen, hoe ze zouden toonen,
Hun onbetembren leeuwenmoed;
Maar 'k zag den buik der vrome zielen,
De goud-beurs van den advocaat,
Des krijgers roodbebloede hielen,
En zag dus hoe 't op aarde gaat!
Ik leerde uit al die schijn-vertooning,
Hoe zeer de wereld wordt misleid;
En zei weer met den wijzen koning,
't Is ijdelheid der ijdelheid!

Zoo konde ik nog wel redeneren,
Mijn goede vriend, tot morgen vroeg,
Wat ik mogt hooren, zien en leeren,
Maar tot een staaltje zij 't genoeg!
Ga nu naar huis, gij hebt vernomen,
Wat ik sinds eeuwen hier vernam,
En wilt ge, gij kunt wederkomen,
Bij d'ouden brommer van den Dam!

Gij doet mij verbaasd staan, – hernam ik – o Toren!
Gij maakt mij weemoedig, door 't geen ik vernam;
Teleurstelling alles, wat gij dan moest hooren,
En zien moest en leeren, o steun van den Dam! –
Maar zeg me, want nimmer vast spreek ik u weder,
Want waarlijk, o oude! Uw vernietiging naakt,
Dra ligt ge als een puinhoop versmeten daar neder! –
Zeg, hebt gij die schets niet te zwart mij gemaakt?
Of is 't hier een Sodom, een nest aller nesten?
Gij hebt mij verpletterd! – Ei! schenk mij ook troost!
Of gaat het ook zoo bij dien langen in 't westen,
Ook zoo bij die kleinen in 't noord en in 't oost?

Zoo veel als ik vernam, mijn waarde!
Als dat u wezen kan ten troost,
Is 't al zoo wat één doen op aarde,
In zuid en noord, in west en oost!
Soms bombamt Gruno's hooge toren,
Soms klept me een kleine in oost of noord,
Een vriend-vertrouwlijk woord in de ooren,
Maar steeds wordt de eigen klagt gehoord!
Schoon bij mijn kleiner ambtgenooten,
Men 't alles meer in 't kleine ziet,
Wat bij dien westelijken grooten
Gewoonlijk meer in 't groot geschiedt!
Bron: Groninger Volks-Almanak voor 1837-1838 (met dank aan de Stichting Oude Groninger Kerken)
Gedicht van een kostschoolhouder
Synco Reijnders was in die jaren niet de enige die een gedicht over een Damster toren schreef. Nam hij in 1835 afscheid van de oude toren die Appingedam een slordige drie eeuwen had gediend, de dichtader van zekere T. Raven Hz. ontfermde zich enkele jaren later – in de Groninger Volksalmanak voor 1839-1840 – over de nieuwe toren (de huidige dus): "Welkomstgroet aan den nieuwen toren te Appingedam". Raven was kostschoolhouder in Appingedam en dichtte wel meer, want hij was ook de maker van: "Vaderlandsche Uitboezeming en Krijgslied", een gedicht dat in 1830 werd gedrukt "ten voordeele van het alhier gevestigd Fonds voor de vrijwillige wapening".

In Ravens gedicht over de toren wordt al direct in het eerste couplet fijntjes gewezen op het feit dat de nieuwe toren slanker is; als je er vlakbij staat zie je nog "den ruimen omvangsplek van zijn' meerderheid". Met andere woorden: de oude toren was de meerdere van zijn opvolger. Maar tja, we leven natuurlijk ook in een "losser eeuw", in een oppervlakkiger tijd dan toen de vorige toren werd gebouwd, verzucht Raven.
WELKOMSTGROET aan den NIEUWEN TOREN te APPINGEDAM
Door T. Raven Hz., kostschoolhouder te Appingedam.

't Geld geeft nog soms 't overwigt,
Waar verstand en deugd voor zwicht;
't Buigt en wringt ook nog, schoon stom,
't Kromme regt en 't regte krom;
't Geeft, als noordstar, op de baan,
Nog de levenskoersen aan:
Menig streeft nog nu als toen,
Naar een eigenwetsch fatsoen,
En verdringt den stijven man,
Die zich zoo niet kneden kan;
Ja, tast soms naar schijnreên rond,
Als de wolf, die 't lam verslond:
Godvrucht, deugd en menschenmin,
Zijn ook nu, voor ziel en zin,
Van hem, die Gods wet betracht,
Nog het sieraad en de kracht,
Zijn de grondslag, rein en sterk,
En de ziel van al zijn werk;
Ja, wat was of nog bestaat,
Bleef en blijft het goed en kwaad,
Als de mode in haar kleedij,
Steeds in elken eeuwkring bij;
Maar bij alle vorm en pracht,
Gold en geldt slechts de inhoudskracht.

Wees dan welkom in het licht,
Welkom dan voor ons gezigt,
Welkom, hoe en wat gij zijt,
Toren! die ons hoog verblijdt;
Wij, wij zeeg'nen uw begin,
Wijden u ten leven in!
ô! Volbreng getrouw uw taak;
Wees ons nut steeds en vermaak;
Leer, wie opwaarts naar u ziet,
Dat de tijd ons ras ontvliedt,
En ons niets, tot leed of baat,
Dan 't geweten overlaat;
Dat de stormen en de orkaan
't Meest en felst op hoogten slaan,
Maar de deugd, in need'righeid,
Ongeschokt haar peuluw spreidt :
Toren! wat op aard verkeer',
't Zijn nog menschen als weleer,
Die gij thans uw diensten biedt;
Hun fatsoen verandert niet;
Naar den eeuwgeest slechts, als wet,
Zijn de plooijen wat verzet;
't Kleinste is thans soms 't kleinste in schijn,
't Vorschje waant een os te zijn.

Blink dan in der Toor'nen rij;
Maak ons harte ruim en blij,
Als uw vrolijk toongeluid,
Lieflijk op ons oorvlies stuit,
Stem ons steeds tot levenslust,
't Zij de vreugde ons voorhoofd kust,
Of de traan ons oog verrast,
Als een ongenoode gast:
Wachter van Gods heiligdom!
Roep ons, door uw klokgebrom,
Derwaarts steeds, waar last en lust,
Wordt geleenigd en gebluscht,
En de hoop, die lieflijk vleit,
Ons een beter lot bereidt:
Toor'nspits! trek en wijs ons oog,
Lang den Hemel nog omhoog.
Bron: Groninger Volks-Almanak voor 1837-1838 (met dank aan de Stichting Oude Groninger Kerken)
Valid XHTML 1.0 Strict Valid CSS!